Iets meer dan een week geleden maakte de Kiesraad de officiële uitslag van het raadgevend referendum over de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (de Wiv) bekend. Een nipte meerderheid van de stemmers wees – verrassend genoeg – de wet af: 49,5% stemde tegen en 46,5% stemde voor invoering van de wet. Het opkomstpercentage was 52%. Dit betekent dat de regering de wet moet heroverwegen.

Wat vooral opviel is dat in het noorden van het land massaal tegen werd gestemd. Een flauwe verklaring is dat dat komt omdat in Burum de “Grutte Earen” staat:, het satteliet-afluisterstation van de diensten staat. Met andere woorden: wij in het Noorden kennen de risico’s van ongericht tappen wel.

Maar volgens mij is er iets anders aan de hand. In veel noordelijke gemeenten werd niet voor de gemeenteraad gestemd. Die zijn uitgesteld vanwege de gemeentelijke herindeling. Mensen die gingen stemmen, deden dat dus alleen vanwege het referendum. De opkomst was hier dan ook laag: zo rond de 30%. Die mensen gingen dus alleen stemmen als ze een sterke mening hadden over de nieuwe wet. In een stad als Groningen leidde dat er toe dat meer dan 70% van de stemmers tegen stemde! Dit in tegenstelling tot kiezers in gemeenten waarvoor wel voor de gemeenteraad gestemd kon worden. De opkomst was daar zo rond de 50%. Daar brachten kiezers, omdat ze er toch al waren, ook bij het referendum hun stem uit. Ook als ze daar geen sterke mening over hadden.

Zo bekeken is de uitslag in het Noorden veelzeggend. Van die mensen die een duidelijke mening hadden over de Wiv, was kennelijk een behoorlijke meerderheid tegen. Dit lijkt me een belangrijk signaal voor de politiek.

Vervolgens rijst de vraag op welke punten de wet nu aangepast moet worden.

  1. Versterk het toezicht. Het feit dat een ex-AIVD-er (Ronald Prins) in de toetsingscommissie zit, wekt geen vertrouwen.

  2. Voorkom ongecontroleerde uitwisseling van verzamelde gegevens met andere buitenlandse diensten. De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CITVD) sprak daar onlangs nog haar zorgen over uit.

  3. Het verzamelen van gegevens op basis van onderzoeksopdrachten lijkt gericht, maar is dat niet. Zorg ook voor een striktere scheiding tussen het verzamelen, analyseren en gebruiken van gegevens en eis dat hier ook technische beperkingen aan worden gesteld.

  4. Beperk de bewaartermijn. Drie jaar voor ongericht verzamelde gegevens is lang, en veel langer dan andere landen hanteren.

  5. Beperkt het recht van de diensten om ook apparatuur van derden – dus niet alleen personen die direct op het rechtmatige vizier van de diensten staan – te hacken. Ditzelfde geldt voor de geautomatiseerde toegang tot gegevensbestanden van bedrijven, overheidsinstanties en andere organisaties. Beide bevoegdheden verzwakken onze nationale infrastructuur en maken deze veel onveiliger. En dat voor een wet die geacht wordt onze veiligheid te verhogen!

  6. Maar de allerbelangrijkste algemene aanpassing is deze: de wet legt te weinig strikte kaders aan waarbinnen de diensten moeten opereren. Er is veel te veel ruimte voor interpretatie, kennelijk onder het mom dat we onze diensten wel kunnen vertrouwen. Dat zal allemaal wel, maar zo bouw je een dergelijke wet niet op. Die maak je juist omdat je er niet van uit kunt gaan dat je de diensten kunt vertrouwen. Juist een wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet duidelijke grenzen stellen. Zeker in het gebruik van verregaande bevoegdheden die een ongelooflijk grote invloed hebben op onze privacy.

De Wiv moet een vangnet zijn, die voorkomt dat de diensten onze burgerrechten schaden. Alleen dan kunnen we accepteren dat de diensten ‘geheim’ zijn.

Deze column verscheen op 7 april 2018 in het Morgen katern van het FD