In november 2016 schreef Ida Auken, lid van het Deense parlement, een provocatief bedoeld artikel: Welcome to 2030. I own nothing, have no privacy, and life has never been better. Ik moest hieraan denken toen ik eerder deze maand gevraagd werd voor een panel over Programmable Cities: Art and Technology for Urban Innovation in Brussel .

Ida Auken beschrijft hoe in de slimme stad van de toekomst alles een dienst is geworden. Niemand heeft meer een eigen auto. Sterker nog, niemand heeft meer een eigen huis: als je niet ‘thuis’ bent, wordt ‘jouw’ woonkamer gebruikt als vergaderruimte. Althans, voor zover er überhaupt nog gewerkt wordt: het meeste werk is door robots en slimme algoritmen overgenomen.

Volgens haar leidt zo’n slimme stad tot een doorbraak in de circulaire economie, omdat dan alles een dienst is en alle producten ontworpen worden voor maximale levensduur, repareerbaarheid en hergebruik. In diezelfde slimme stad wordt alles wat je doet continu waargenomen, geregistreerd en geanalyseerd. Voor sommigen is deze toekomst misschien een utopie. Mij deed het meer denken aan de nachtmerriefilm The Matrix waarin dom gehouden mensen een droomwereld wordt voorgetoverd. Een slimme stad voor de domme burger?

Het idee van een slimme stad roept bij mij vooral vragen op.

Wanneer is een stad ‘slim’? Oftewel: wat bedoelen we met slim? Is een slimme stad een veilige stad? Een schone stad? Een efficiënte stad? Een gecontroleerde stad? Of is een slimme stad een speelse, liefdevolle, chaotische stad vol mogelijkheden? Ja, ik weet het, met een slimme stad wordt een stad bedoeld die op basis van een overvloed aan data en met behulp van slimme algoritmen aangestuurd en verbeterd wordt. Maar mijn vraag is dan: wat is beter?

En wie bepaalt dat? Wie beslist wat slim is en wie ontwerpt die slimme stad? Wie bepaalt welke data er worden verzameld, hoe dat gebeurt en welke slimme algoritmen gebruikt worden? Wie mogen daar over mee praten? Kortom: wie implementeert zo’n slimme stad: wie zit er aan de knoppen en controleert de stad? Het gebruik van big data en slimme algoritmen is immers niet zonder risico. De data kunnen een vertekend beeld geven. De algoritmen kunnen discrimineren. Dat betekent dat je daar zorgvuldig beslissingen over moet nemen.

Wie profiteert er van de slimme stad? Haar inwoners of het bedrijfsleven? De dienstaanbieders of het stadsbestuur? Dit hangt natuurlijk af van de vraag wie er bepaalt wat slim is. Vooralsnog is het idee van een slimme stad vooral een technology-push van bedrijven die profiteren van de wens van de overheid om efficiënter te worden. In dat krachtenveld profiteren vooral de aanbieders, en heeft de burger het nakijken.

En waarom hebben we het over slimme steden? Waarom niet over slimme dorpen of over slimme gemeenschappen? Als slimheid gaat over rationalisatie en efficiëntieverbetering, dan leent het platteland zich daar veel beter voor dan de stad. Op het platteland wonen minder mensen en is het leven minder complex. Zijn steden niet simpelweg te groot voor dit soort experimenten? Slimheid van onderop, slimheid op kleine schaal is voor mensen wellicht beter te bevatten, te begrijpen en te overzien.

Tenslotte: is slim überhaupt wel beter? Zijn domme steden eigenlijk niet veel leefbaarder? Zit u op vakantie te wachten op een slim strand, een slim bergdorp, of een slimme camping? Is ‘gewoon’ simpelweg niet slim genoeg? Is een leven zonder frictie nog wel leven? Of voelen we ons straks echt thuis als domme burger in onze slimme stad, die als een moeder over ons, haar kinderen, waakt?

Deze column verscheen op 23 september 2017 in het Morgen katern van het FD.