`Ich bin ein Berliner’.

Dat zei John F. Kennedy, president van de Verenigde Staten, op 26 juni 1963 op het gemeentehuis van Schöneberg in West Berlijn. Het was het hoogtepunt van de Koude Oorlog, 22 maanden nadat de Duitse Democratische Republiek (zoals Oost-Duitsland destijds officieel heette) begonnen was met het optrekken van de Muur. De inwoners van Berlijn zaten ingeklemd in hun kleine enclave midden in de DDR en waren doodsbang voor een door de Sovjet Unie ondersteunde invasie.

Met zijn beroemd geworden uitspraak bedoelde en beoogde Kennedy iets heel anders dan hoe we dergelijke uitingen van identiteit tegenwoordig interpreteren.

In plaats zichzelf te onderscheiden door zich het inwonerschap van Berlijn aan te meten, stelde hij zijn identiteit (als president van en vertegenwoordiger van de grootmacht der Verenigde Staten) ter beschikking aan de inwoners van West Berlijn. Hij stak hen met die uitspraak een hart onder de riem: het lot van jullie in West Berlijn is mijn lot.

`Ich bin ein Berliner’.

Ook ik zou dat theoretisch kunnen zeggen, omdat ik hier af en aan een paar maanden woon. Maar als ik dat zou zeggen, bedoel ik daar natuurlijk heel iets anders mee dan Kennedy. Ik heb de Berlijners niks te bieden. Maar de Berlijners mij wel. Als ik het zou zeggen, zou ik dat doen om me te onderscheiden, om me iets van de ‘coolheid’ van Berlijn aan te meten.

We zien dat je identiteit op verschillende manieren kunt gebruiken of door anderen gebruikt wordt.

Soms krijg je door anderen een identiteit opgeplakt, om je zwart te maken, uit te sluiten, of in een hoek te plaatsen. Denk aan termen als allochtoon, of scheldwoorden als ‘homo’ (vaak voorafgegaan door allerlei onwelvoeglijke naamwoorden).

Anderen claimen een bepaalde identiteit voor eigen status en gewin. Bijvoorbeeld als ik me Berliner zou noemen, of als ik bepaalde statussymbolen zou gebruiken als uitdrukking van een bepaalde identiteit. Vergelijkbaar is het gebruik van identiteit om je af te zetten of te onderscheiden van anderen. Bijvoorbeeld het onderscheid tussen links en rechts, of boer en stedeling.
Daar is het doel niet je eigen status te verhogen, maar om de status, geloofwaardigheid, of eigenwaarde van ‘de ander’ te verlagen door je er tegen af te zetten.

Het op deze manieren gebruiken van identiteit is alleen maar populairder 9geworden met de komst en het massale gebruik van sociale media, maar is essentie asociaal. Het creëert tegenstellingen, vergroot de afstand tussen mensen. Sociale media zouden daarom eigenlijk asociale media moeten heten.

Maar er bestaat ook nog een andere, veel socialere, vorm van identiteitsconstructie – één waar Kennedy’s optreden een extreem voorbeeld van is. Namelijk door bij te dragen aan een collectief, een groep, een gezamenlijk belang. In plaats van waarde te ontlenen, of eigenlijk te onttrekken, aan de groep. Identiteit is hierin niet zozeer individueel maar collectief van aard. (Waarbij je op moet passen voor het risico dat de groep mensen buiten sluit, zich als groep afsluit, en zich niet meer verbonden voelt met de buitenwereld.)

Of Kennedy’s uitspraak de loop van de geschiedenis beslissend veranderd heeft, is moeilijk vast te stellen. Hoe dan ook: afgelopen donderdag vierde het verenigde Duitsland haar 29ste verjaardag met de “Tag der Deutschen Einheit”.
En hoe broos en ver te zoeken die eenheid soms ook lijkt te zijn, het lijkt me wel iets om naar te streven.

Blijf daarom niet langer langs de zijlijn staan toe te kijken. Maar zet je ergens voor in, samen met anderen, in plaats je ergens tegen af te zetten.

En ons af te vragen hoe je werkelijk sociale media maakt.