Het is een van de meest ouderwetse toepassingen van het internet, en het is geweldig: e-mail. Het enige dat je ervoor nodig hebt is een e-mailprogramma en een e-mailadres om je bericht naartoe te sturen. E-mail is een heel open, egalitaire toepassing: iedereen kan er gebruik van maken. Je mag helemaal zelf kiezen welk programma je gebruikt om je e-mail te versturen: Outlook, Gmail, of een app op je smartphone. Hetzelfde geldt voor de ontvanger van jouw e-mail: die mag dat ook zelf bepalen. Dankzij e-mail kan iedereen met een internetaansluiting met elkaar communiceren.

Dat is hoe het internet bedoeld is. Hoe het ooit begonnen is. Open. En hoe de rest van het internet eigenlijk zou moeten zijn. Gebaseerd op open standaarden. Alles met alles verbindend. En nergens een poortwachter die bepaalde gebruikers of applicaties buitensluit.

Hoe anders is dat voor nieuwere internettoepassingen, zoals sociale netwerken of berichtendiensten. Als ik een Whatsapp-gebruiker een bericht wil sturen, heb ik zijn of haar telefoonnummer nodig, en moet ik zelf ook Whatsapp geïnstalleerd hebben. Apple’s iMessage werkt alleen maar tussen Apple-telefoons. En als mijn vrienden of collega’s Skype gebruiken… U raadt het al: ik heb een groot aantal apps op mijn smartphone.

Vijf grote bedrijven hebben de droom van het internet om zeep geholpen

Hetzelfde geldt voor Twitter, Facebook, LinkedIn en Instagram. Dat zijn netwerken die op elkaar lijken maar niet met elkaar in verbinding staan. Dat is te gek voor woorden. Het is alsof je e-mails voor Outlook-gebruikers altijd in Outlook zou moeten schrijven. Of iemand met een Nokia-telefoon alleen maar kunt sms’en als je zelf ook een Nokia hebt, of alleen als je allebei een abonnement bij KPN hebt.

Het open internet van weleer wordt inmiddels gedomineerd door vijf grote bedrijven: Apple, Microsoft, Google, Amazon en Facebook. Deze ‘big five’ hebben ieder op hun eigen manier de oorspronkelijke droom van het internet om zeep geholpen.

Zijn de big five wel zo monopolistisch?

Dat hebben ze gedaan omdat de diensten die deze bedrijven aanbieden monopolistisch van aard zijn. Of moet ik zeggen: omdat we dénken dat deze diensten monopolistisch van aard zijn?

In eerste instantie lijkt die gedachte logisch: hoe meer gebruikers op Facebook of Whatsapp zitten, hoe aantrekkelijker het wordt om ook Facebook en Whatsapp te gebruiken. Al je vrienden, kennissen en collega’s zitten er immers al. Door dit netwerkeffect neemt de waarde van een dienst exponentieel toe met het aantal gebruikers. En daarmee lijkt een monopolie haast onvermijdelijk.

We kunnen overleven zonder Microsoft Word

Maar datzelfde argument zou dan ook moeten gelden voor, zeg, tekstverwerkers. Als op een gegeven moment een grote meerderheid van de computergebruikers een bepaalde tekstverwerker met een specifiek documentformaat gebruikt, dan wordt het bijna onmogelijk om samen te werken met anderen als je niet zelf ook diezelfde tekstverwerker gebruikt.

Toch is het mogelijk om te overleven zonder Microsoft Word, de dominante tekstverwerker. We kunnen Word-documenten openen in andere toepassingen omdat het ‘open’ documentformaten zijn. Na lang verzet heeft Microsoft het mogelijk gemaakt dat iedereen gewoon kan samenwerken met een Word-gebruiker zonder zelf het programma zelf te hoeven aanschaffen.

Bij een gesloten formaat is dit onmogelijk, omdat:

  • het lastig is te achterhalen wat een document allemaal kan bevatten en hoe dat gecodeerd is; en
  • de maker op een willekeurig moment kan beslissen om het allemaal anders te doen.

Laat monopolisten gebruikmaken van open standaarden en API’s

Iets vergelijkbaars kunnen we ook doen om de monopoliepositie van de internetdiensten te doorbreken. Door af te dwingen dat ze gebruik maken van open standaarden en een open Application Programming Interface, een API. De API van een internetdienst beschrijft welke opdrachten je naar die dienst kunt sturen, hoe je dat moet doen, en welk resultaat je daarvan kunt verwachten. Bij e-mail is dat bijvoorbeeld de opdracht ‘stuur dit bericht naar dit e-mailadres’, waarna je ervan uit kunt gaan dat dit ook gebeurt.

Een API is een beetje te vergelijken met het invullen en opsturen van een standaardformulier naar een overheidsinstantie, bijvoorbeeld om een nieuwe parkeervergunning aan te vragen, of om een verhuizing door te geven. Alle populaire diensten op het internet, zoals Facebook en Twitter, hebben zo’n API. Die laten je browser of de app op je smartphone gebruikmaken van die dienst.

Maar vaak is die dienst niet open: omdat nergens beschreven is hoe je van die API gebruik kunt maken (het formaat van het ‘formulier’ is geheim). Of omdat je een zogenoemde API- sleutel nodig hebt om gebruik te mogen maken van de API (alleen gewaarmerkte ‘formulieren’ worden in behandeling genomen). Door de API van een dienst open te maken, stel je derden in staat om hun diensten of smartphone apps gebruik te laten maken van die API, en dus van die dienst.

Zet een rem op het opdelen van het internet

Als bijvoorbeeld de API van WhatsApp open zou zijn, dan zou iMessage weten hoe een bericht aan een WhatsApp-gebruiker verstuurd zou moeten worden. Dan zou een iMessage-gebruiker dus zonder problemen een bericht aan een WhatsApp-gebruiker kunnen sturen. Sterker nog: dan hoeven we helemaal niet meer van elkaar te weten welke app we gebruiken.

Dat zou een zegen zijn. Niet alleen wordt er zo een belangrijke rem gezet op het opdelen van het internet. Zo wordt ook de gebruikerservaring van veel diensten aanzienlijk verbeterd. Want bij deze oplossing kun je zelf je favoriete sociale netwerk-app of berichten-app kiezen, zonder een deel van je vrienden buiten te sluiten.

Deze indirecte lofzang op e-mail voelt wat ongemakkelijk. Mailen is eigenlijk een ongelooflijk gebruikersonvriendelijke en ouderwetse manier van communiceren. Maar de basisprincipes waarop e-mail ontworpen is, zijn tijdloos en nog steeds van onschatbare waarde. Tijd om ze ook toe te passen op andere internetdiensten.

Deze blog verscheen eerder bij het Rathenau Instituut en op Sargasso.