Start-ups zijn hip en Silicon Valley is ons lichtend voorbeeld. Als een Nederlandse start-up wordt uitverkoren om door Uber ondersteund te worden, is dat landelijk nieuws. Iedere zichzelf respecterende regio in Nederland noemt zich een ‘Valley’ van wat voor soort dan ook. Innovatie, in de zin van ‘het maken van iets nieuws’, is het toverwoord.

Sluipenderwijs heeft een fundamentele verandering in de maatschappij plaatsgevonden. De intellectueel, de kritische geest, wordt niet langer gewaardeerd. De maker, die zijn handen vuil durft te maken, heeft zijn plaats ingenomen – en ja, er is al een column op zich te wijden aan het gebruik van de masculiene vorm van het bezittelijk voornaamwoord hier.

Je ziet het bijvoorbeeld aan de veranderende betekenis van het woord ‘hacken’. Vroeger was een hacker zo’n kritische geest die bij iedere nieuwe technologie wilde weten hoe die werkt, en zich daarbij afvroeg of dat nu wel zo verstandig was. Hij was niet zozeer geïnteresseerd in iets maken, als wel om iets te breken, te kraken. Om zo tot de kleinste details door te dringen en te begrijpen hoe het werkt.

Nu hebben we hackatons waar in een dag of een weekend een product of dienst in elkaar wordt ‘gehackt’, dat wil zeggen: gemaakt. En werkt de hacker voor Google of begint die zelf een start-up, om iets te maken. Want als je iets maakt, ben je iemand. Met als logisch gevolg dat als je niet iets maakt, je een nobody bent.

Sterker nog: kritiek wordt niet gewaardeerd. Je moet wel constructief blijven, er moet tenslotte wel iets gemaakt worden! Ik kan me nog goed de kritiek herinneren toen mijn vakgroep aan de Radboud Universiteit de OV-chipkaart kraakte. Het was een grof schandaal dat overheidsgeld werd gebruikt om zo’n mooi innovatief systeem zwart te maken, en om een Nederlands bedrijf financieel zwaar te beschadigen. We werden zelfs door de producent van de chipkaart, NXP, voor het gerecht gedaagd. Gelukkig veegde de rechter de vloer met ze aan. Helaas heeft de industrie van deze ervaring niets geleerd: onlangs bleek weer dat bijna iedere Volkswagen die sinds 1995 is gemaakt eenvoudig draadloos geopend kan worden door een autodief.

Begrijp me niet verkeerd. Er is niets mis met iets maken. Maar maken is een doel op zich geworden. Door onze obsessie met maken verliezen we uit het oog dat allerlei vormen van ‘niet-maken’ net zo belangrijk zijn: kritisch nadenken, onderzoek doen, onderwijs geven, zorg verlenen. Al deze activiteiten worden tegenwoordig ondergewaardeerd. Ze hebben geen status en worden slecht betaald. En dat is onterecht.

Eerder schreef ik al ‘Echte innovatie is het vinden van een oplossing voor een schijnbaar onoplosbaar probleem’. Met maken alleen kom je er niet. Kritisch denken is een essentieel onderdeel van innoveren. Om tot echt nieuwe inzichten te komen moet je van de gebaande paden afstappen. De gevestigde orde uitdagen. Voldongen feiten betwisten. Algemene waarheden, axioma’s, in twijfel trekken. Iets stuk maken, om het vervolgens beter te maken.

Onderzoek is hierbij ook belangrijk. Onderzoek leidt tot nieuwe kennis, kennis die nodig is om een probleem dat eerst onoplosbaar leek beter te leren begrijpen en wellicht toch op te lossen. Of om te aan te tonen dat het probleem onoplosbaar is: dat iets niet gemaakt kan worden.

Om te kunnen maken, moet je eerst leren hoe je iets moet maken. Onderwijs is dus essentieel voor het opleiden van de makers (maar ook de denkers, en onderzoekers, en verzorgers) van morgen.

Er zijn mensen die zeggen dat al die activiteiten (kritisch denken, analyseren, onderwijzen) onderdeel zijn van het concept ‘maken’. Volgens hen moeten we maken dus breder interpreteren dan alle activiteiten die direct of indirect in dienst staan van het creëren van een nieuw product, ding, of dienst. Maar dat standpunt stelt nog steeds het realiseren van output centraal, en verklaart alle andere activiteiten daar bewust of onbewust ondergeschikt aan: die zijn alleen relevant als ze bijdragen aan het creëren van output.

Dat is een grove onderschatting van het zelfstandige belang van het ‘niet-maken’. Descartes zei niet voor niets ‘Ik denk dus ik ben’, en niet: ‘Ik maak dus ik ben’. Laten we dus vaker doelloos, zonder opdracht, zonder op resultaat gericht te zijn, filosoferen en beschouwen. Laten we de kunst van het niet-maken in ere herstellen. Laten we breken met de dominantie van het maken.

Deze column verscheen 27 augustus 2016 in het Morgen katern van het FD, en is deels geïnspireerd door deze column.