Dit is mijn vraag voor de Nationale Wetenschapsagenda.

Het onderscheid tussen de fysieke wereld en de virtuele wereld is in rap tempo aan het verdwijnen. Het Internet dringt door tot in de haarvaten van de samenleving. Vitale processen en dagelijkse handelingen worden digitaal uitgevoerd. OV chipkaart, slimme meters, digitale thermostaten, lampen, koelkasten, etc.: in het Internet-der-dingen is alles met elkaar verbonden. In de toekomst is onze omgeving slim. We checken in; we checken uit. Ons huis, ons werk, de publieke ruimte: zij ‘ziet’ ons, ‘weet’ wat wij willen, en past zich daaraan aan.

Echter…

Wie weet er precies wat er gezien wordt? Wie bepaalt er precies wat wij willen, welke processen en algoritmen worden daarvoor gebruikt? Hoe past de omgeving zich aan? Welke consequenties heeft dat voor onze bewegingsvrijheid? Is de onze omgeving nog van en voor ons? Of worden wij ondergeschikt aan onze omgeving?

Op welke manier kunnen we ervoor zorgen dat ook gewone burgers een dergelijke, verregaand gedigitaliseerde wereld, nog kunnen begrijpen? En met welke methoden en technieken kunnen mensen in zo’n wereld hun autonomie, een zekere mate van controle, behouden over hun eigen leven? Met andere woorden: hoe houden we de digitale wereld menselijk?