Vandaag heeft de rechtbank in Den Bosch een belangrijk vonnis gewezen in het kort geding tussen de Belastingdienst en SMSParking. De Belastingdienst had deze zaak aanhangig gemaakt omdat SMSParking weigerde om de Belastingdienst alle parkeergegevens (kenteken, datum, plaats (locatie) en tijd) van haar cliënten over het jaar 2012 te geven. Verrassend genoeg kreeg de Belastingdienst van de rechter ongelijk!

In deze zaak beriep de Belastingdienst zich op de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), die hem toestaan om over een grote groep belastingplichtigen informatie op te vragen bij derden. SMParking betoogde dat de Belastingdienst met de voorgestane toepassing van de artikelen 47 en 53 AWR het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel schendt. De rechter was het niet eens met de redenering dat, omdat de belastingdienst ook op andere manieren al aan de gegevens was gekomen, dan wel had kunnen komen, het subsidiariteitsbeginsel geschonden werd. Maar de rechter vond dat het proportionaliteitsbeginsel wel geschonden werd.

De zaak draait om de toepassing en interpretatie van artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (art. 8 EVRM). Die luidt:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Vanwege dit artikel is het

uitgangspunt in de relatie tussen burger en overheid [..] niet het veelgehoorde “wie niets te verbergen heeft, heeft ook niets te vrezen” maar “het dagelijks doen en laten van de burgers gaat de overheid niets aan”.

Of, in termen waar het in dit kort geding om ging:

Iedere burger moet in beginsel een auto kunnen parkeren op een door die burger verkozen plaats in Nederland, zonder dat de overheid behoeft te weten dat hij dat doet en waarom hij dat doet.

Uitzonderingen op dit principe (lid 1. van artikel) zijn alleen te rechtvaardigen door zeer zwaarwegende collectieve belangen (de in lid 2 genoemde ‘noodzaak’).

De Belastingdienst heeft deze noodzaak niet hard kunnen maken. De rechter rekent het de Belastingdienst zwaar aan dat hij eerst alle parkeergegevens opvraagt, om vervolgens op zoek te gaan naar een mogelijke fraude (een ‘hit’) bij de aangifte voor de motorrijtuigenbelasting, de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (BPM), de belasting zware motorrijtuigen, de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting. Als dit als een noodzakelijke en proportionele maatregel zou worden gezien dan lijkt volgens de rechter

de uitzondering in artikel 8 lid 2 EVRM hier veeleer als de regel te worden gehanteerd en de hoofdregel uit het zicht te verdwijnen.

(De vraag rijst wel of de rechter anders zou hebben beslist als de Belastingdienst had aangegeven de gegevens enkel voor zeg de controle van de motorrijtuigenbelasting te willen gebruiken.)

Maar daarnaast wijst de rechter nog op een groter probleem. De ongelimiteerde macht van de Belastingdienst om informatie op te vragen, te analyseren en te bewaren is misschien nog te begrijpen in de context van de tijd waarin de AWR werd opgesteld. Maar in de afgelopen 20-30 jaar is de hoeveel informatie die bedrijven en overheden over hun klanten en burgers verzamelen enorm toegenomen. Deze informatie geeft een ongekend gedetailleerd beeld van wat wij doen, denken en wensen, en de mogelijkheid om dit zelfs te voorspellen. Het ongelimiteerde recht van de Belastingdienst met dus beperkt worden. Die begrenzing was 30 jaar geleden nog inherent aan de zeer beperkte omvang en detail van de gegevensbestanden, en de zeer beperkte mogelijkheden van automatische analyse. Dat is nu absoluut niet meer het geval.

[W]aar de vastgelegde informatie over burgers enorm is toegenomen, dringt zich in het maatschappelijk debat steeds meer de vraag op: wat is de hoofdregel van artikel 8 EVRM voor de burger nog waard?

Dit is een uitermate belangrijke vraag, waar de politiek (en wij als samenleving) eens goed bij stil moeten staan. En dit beperkt zich niet alleen tot de rechten en mogelijkheden van de Belastingdienst. Dezelfde vraag is in feite ook de essentie van de discussie over de wereldwijde datahonger van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

We moeten SMSParking dankbaar zijn voor het feit dat zij haar poot stijf heeft gehouden. Daardoor heeft de rechter een belangrijk vonnis gewezen, dat wellicht een verandering in denken over dit onderwerp tot gevolg heeft.